Blok aan je been ervaart Frans als een lastig dingetje. Hij voelt zich onthand omdat hij tijdelijk bij zijn dochter moet wonen tot zijn kamer in het verzorgingshuis klaar is. Hij voelt zich bezwaard en toch ook een beetje afhankelijk. “Pa, schiet nou eens op wil je? Over vijf minuten moeten we weg zijn, anders komen we te laat in het verzorgingshuis.”

Frans had een andere planning, een planning zoals hij dat al jaren had. In zijn ochtendjas eerst een kop koffie. Een bruine boterham met roomboter, daarop een plak jonge kaas en voor Lex een boterham met smeerleverworst. Was dat nou echt zo verkeerd? Lex was er toch al ruim 11 mee geworden in alle gezondheid. Natuurlijk krijgt Lex ook altijd zijn hondenkoekjes en vlees. Dus zo’n boterhammetje met smeerleverworst kon toch niet veel kwaad? Smeerleverworst is immers ook vlees?

 

blok

“Pahaa, kom op nou! Ik start alvast de auto.” De dochter van Frans grist haar handtas van de tafel, stopt er vlug nog een flesje water in en zwiept hem in een vloeiende beweging over haar schouder. “Ja maar Lex moet nog buiten wandelen?” stamelt Frans richting zijn dochter. Lex lag naast Frans’ voeten op de grond, waar hij altijd lag, wachtende op zijn boterham met smeerleverworst. Zijn boterham kwam echter niet, evenals de wandeling in de frisse ochtendlucht. “Doe de achterdeur maar open, dan kan hij in de tuin ook wel even plassen,” hoorde Frans zijn dochter vanuit de gang roepen. Met een plof hoorde hij de voordeur dichtslaan en was het stil in het huis van zijn dochter.

Frans buigt zich naar Lex, zijn hand op zijn grote kop. “Het spijt me makker, als ik weer terug ben gaan we wandelen. Echt waar!” Frans loopt naar de achterdeur en laat Lex, zoals zijn dochter had gezegd, even snel plassen in de tuin. “Even op het huis passen Lex, dan ben ik zo weer terug”. Frans pakt zijn platte pet en sjaal, trekt zijn lange jas aan en wil naar buiten lopen. Dan bedenkt hij zich en draait zich om. Vlug neemt hij zijn pet van zijn hoofd en legt deze samen met zijn sjaal op het kleed van Lex.

De deur sluit zich voor de tweede keer. Lex snuffelt aan de oude pet en de sjaal van Frans. Hij draait een paar rondjes op zijn kleed en gaat rustig liggen, zijn kop op het vertrouwde geurtje van zijn baas. Dit stelt hem gerust, Frans komt zo terug. Lex valt dan als een blok in slaap.

Eenmaal in de auto is Frans stil. Zijn dochter, een drukke gezinsvrouw van in de veertig, praat aan één stuk door. “We moeten toch wat verzinnen op die hond van je Pa. Ik heb al van alles afgebeld en zelfs oproepjes op Facebook gezet, maar niemand wil zo’n oude hond hebben. Als ze geluk hebben gaat hij nog één of twee jaar mee en wat denk je van de dierenartskosten die straks gaan komen?” Frans knikt en laat het over zich heen komen. “Facebook?” denkt Frans. “Wat moet Lex nu in een boek vol gezichten? Lex heeft een mooie kop, dat is waar… Maar waarom kan hij niet gewoon bij jullie blijven? Ik begrijp dat je het druk hebt met je werk en je gezin, maar van Lex heb je helemaal geen last? Dan kan ik hem in ieder geval blijven zien…”

De dochter van Frans zucht. Haar ogen verlaten eenmaal de weg om Frans een blik te gunnen. In haar ogen is Frans niet realistisch. Het is nu eenmaal zo in onze maatschappij dat oudere mensen die niet meer voor zichzelf kunnen zorgen naar een verzorgingshuis gaan. En het is nou eenmaal zo dat oude honden niet meer te herplaatsen zijn en een keer dood gaan op die leeftijd. “Je hebt geen keus Pa, het is zoals het is”. Terwijl Frans dochter deze laatste woorden uitspreekt gaat het aan haar knagen. “Is het wel echt zo? Hebben we geen keus? Zijn ouderen en honden een blok aan ons been?” De auto vermindert vaart. Het verzorgingshuis komt in zicht. Frans slaat zijn blik naar beneden, zijn stap in het verzorgingshuis is een stap verder af van Lex.